Site Overlay

Joachim le Sage ten Broek stond aan de wieg van Meer en Bos: de allereerste katholieke kinderkolonie met een sociaal karakter

Laatste update: 12 februari 2026

De stichting Arcadisch Madestein hecht er in het kader van haar heemkundige wandeltochten grote waarde aan om aandacht te besteden aan de oprichting van de kinderkolonie Meer en Bosch door Joachim Le Sage ten Broek, die in een eerdere blog reeds werd genoemd. Met deze stichting begaven de katholieken zich op een maatschappelijk gevoelig en risicovol terrein: de zorg voor sociaal kwetsbare gezinnen en kinderen, en de bestrijding van kindersterfte — schrijnende problemen die typerend waren voor de negentiende eeuw en nauw samenhingen met de harde realiteit van het klassiek-liberale vrijhandelsdenken.

Joachim le Sage ten broek in Bosch en Meer
Joachim le Sage ten broek in Bosch en Meer

Le Sage verzette zich hiermee tegen de beperkte opvatting van de openbare armenzorg onder koning Willem I. Naar zijn overtuiging schoot de staat ernstig tekort in haar verantwoordelijkheid, en moesten katholieke particuliere initiatieven deze leemte opvullen. De geschiedenis van de katholieke kinderkolonie Meer en Bosch is dan ook een indrukwekkend verhaal van sociaal engagement, religieuze bewogenheid en strijd tegen armoede in het negentiende-eeuwse Den Haag.

Centraal staat de markante figuur Joachim Le Sage ten Broek (1775–1847), vaak aangeduid als de “vader van de katholieke journalistiek”, maar bovenal een man met een diepgewortelde zorg voor de minderbedeelden. De directe aanleiding voor de stichting was de schrijnende sociale nood in de Residentie. In de eerste helft van de negentiende eeuw leefden veel katholieke kinderen in grote armoede, in slechte woonomstandigheden en zonder toegang tot passend onderwijs of zorg.

Le Sage, zelf een bekeerling tot het katholicisme, stoorde zich eraan dat katholieke wezen en arme kinderen vaak waren aangewezen op protestantse instellingen, waar zij hun geloof niet vrij konden beleven. In 1839 nam hij daarom het initiatief tot de stichting van een eigen katholiek opvangtehuis: Bosch en Meer (in de eerste notariële akte aangeduid als Meer en Bosch). Hij kocht een terrein aan de rand van Den Haag, nabij de huidige Scheveningseweg. De naam verwees naar de toen nog natuurrijke omgeving met duinen, bossen en waterpartijen.

Kenmerken van de kolonie

  • Doelgroep: verwaarloosde katholieke jongens en wezen

  • Opvoedingsvisie: een combinatie van religieuze vorming en praktische scholing

  • Doel: voorbereiding op een ambacht, zodat de kinderen later zelfstandig in hun levensonderhoud konden voorzien

  • Financiering: volledig gebaseerd op liefdadigheid; Le Sage gebruikte zijn tijdschriften en katholieke netwerk om fondsen te werven

De snelle groei van de instelling vormde feitelijk ook een stille aanklacht tegen de gebrekkige uitvoering van de Armenwet-Van der Palm (1806), die door Willem I was overgenomen uit de tijd van Lodewijk Napoleon. Wat begon als een bescheiden initiatief, groeide uit tot een belangrijke sociale instelling.

Na het overlijden van Le Sage ten Broek in 1847 werd zijn werk voortgezet, onder meer door religieuze congregaties zoals de Broeders van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten. In de loop van de negentiende eeuw volgden belangrijke ontwikkelingen:

  • Verhuizing naar een groter complex aan de Nieuwe Parklaan

  • Modernisering van de zorg: de nadruk verschoof van tucht en arbeid naar opvoeding, onderwijs en jeugdzorg

Meer en Bosch groeide uit tot een blijvende erfenis van Le Sage ten Broek en werd een van de eerste tastbare uitingen van de katholieke emancipatie in Nederland. Het toonde aan dat de katholieke gemeenschap in staat was eigen sociale voorzieningen op te bouwen, onafhankelijk van staat en protestantse instellingen.

Zoals treffend werd verwoord:
“Het was niet alleen een dak boven het hoofd, maar een bastion voor het behoud van de katholieke identiteit van de Haagse jeugd.”