Site Overlay

Het Loosduinse cisterciënzerklooster en de bedijking van Holland

Laatste update: 11 februari 2026

De abdij van Loosduinen: Tussen adellijke gratie en fraterlijke spierkracht

De geschiedenis van het Cisterciënzer klooster in Loosduinen en het omliggende Madestein is onlosmakelijk verbonden met de “Grote Ontginning” van de 13e eeuw. Hoewel de volksmond vaak spreekt over een dubbelklooster, was de Abdij in de kern een hoogadellijke vrouwenabdij. Maar achter de muren van dit vrome instituut verschool zich een vernuftig web van onderaannemingen, juridische constructies en een onmisbaar “fraterpeloton”.

De juridische constructie: de macht van de abdissen

Rond 1228-1230 stichtten Graaf Floris IV en Machteld van Brabant de Abdij op een veilige strandwal. De Abdis was niet zomaar een religieus leider; zij was een topambtenaar van het Heilig Roomse Rijk met aanzienlijke rechtsmacht.

Het klooster verkreeg concessies via de Abdij van Egmond om het omliggende moerasland te ontginnen. De adellijke dames hadden de rechten, maar zij konden – en wilden – hun handen niet vuil maken aan het fysieke grondverzet. Bovendien ontbrak het hen aan de technische expertise voor de complexe poldering en besluizingen die nodig waren om de “Grote Hollandse Dijkage” te realiseren.

De fraters: de onzichtbare polderaars

Hoewel de regels van de orde (en de Abdij van Egmond) het officieel niet toestonden, was de aanwezigheid van mannen essentieel. Voor de aanleg van dijken, het graven van sloten en het bouwen van de kenmerkende monnikstjaskers (molens) in de Madesteinse broeken, was rekenkunde en brute spierkracht nodig.

  • Illegale aanwezigheid: Canoniekrechtelijk was dit “fraterpeloton” eigenlijk illegaal. In de officiële verslagen aan Egmond werden zij nauwelijks vermeld – een bewuste “omissie” om de forfaitaire tienden (belastingen) veilig te stellen.

  • Vrijheid buiten de muren: In tegenstelling tot de zusters waren deze fraters niet gebonden aan de strikte clausuur (opsluiting). Zij bewogen zich vrij door het veld, sliepen soms onder de blote hemel en vormden de feitelijke inspecteurs en uitvoerders van de waterstaatwerken.

De infrastructuur: bruggen, dammen en exclaves

De expertise van de Cisterciënzers in waterbeheer zorgde voor een enorme transformatie van het landschap. Door drainage klonk het veen in, wat de weg vrijmaakte voor landbouw. Er ontstond een dicht netwerk van transportwegen:

  • Waterwegen: Nieuwe vaarten zoals de Schie en de Vliet werden aangelegd, vaak dwars op de oude Romeinse kanalen.

  • Dammen: De noodzaak voor transport leidde tot de stichting van belangrijke knooppunten, zoals de dammen bij Leidschendam en Delft.

  • Uithoven: Vanuit agrarische voorposten (granges) en adellijke hoeven zoals de Stenen Kamer van Madestein (Huis de Camp), werd het land geëxploiteerd via pachters en lekenbroeders.

Het einde van een tijdperk

De ondergang van de Abdij kwam niet door het water, maar door de oorlog. In 1574, tijdens het Beleg van Leiden, verwoestten de Geuzen het complex om te voorkomen dat de Spanjaarden het als uitvalsbasis zouden gebruiken. Hiermee verdween de religieuze macht, maar de demografische structuur van het huidige tuindersgebied was toen al definitief gevormd.

Wat rest er nu? Vandaag de dag is de Abdijkerk van Loosduinen (gebouwd tussen 1238 en 1250) het enige tastbare overblijfsel van deze machtige instelling. In Madestein herinneren de funderingen van de Stenen Kamer ons nog aan de tijd dat dit gebied een lappendeken was van religieuze privileges en pioniersgeest.

Bron: https://gerardstrijards.nl/het-loosduiner-dubbelkloooster-en-de-groote-hollandse-dijckagie/