Laatste update: 5 februari 2026
De geschiedenis van het Cisterciënzer klooster in Loosduinen (en de relatie met Madestein) is onlosmakelijk verbonden met de “Grote Ontginning” van het Hollandse veengebied in de 13e eeuw. Hoewel vaak gesproken wordt over een “dubbelklooster”, was de Abdij van Loosduinen in de kern een hoogadellijke vrouwenabdij die een cruciale rol speelde in het beheer en de exploitatie van het omliggende landschap. Vooral op waterstaatkundig gebied. Door poldering, bekweldering, drooglegging van broeken en zompen, ijkingen en besluizingen. De deftige dames die inderdaad de eeuwige geloften hadden afgelegd kregen op basis van een concessie vanwege de Egmonder Abdij die een dijkingsaanneming was overeengekomen met de zogeheten graven van Holland die uiteindelijk leidde tot de ontzagwekkende Schielandse Hooge Zeedijk tot en met Hohorst achter de Utrecht konden deze enorme onderneming zelf uiteindelijk niet echt, letterlijk, “mannen”. Ze hadden daarvoor de grondverzettende daggelders nodig en de feitelijke perceelbeheerders-inspecteurs, de fraters, die de rekenkunde machtig waren en vele ambachten kenden, waaronder de vervaardiging van de voor de Madesteinse broeken zo kenmerkende monnikstjaskers, die er nog in menigte staan. De Abt van Egmond had de Cisterciënzer Orde, ook behorende tot de Benedictijner Orde net als de Egmonder Eremieten, wel toestaan binnen de onderaanneming dat vrouwenklooster te stichten, maar niet vergunning en ontheffing toegelaten om als succursaal ook fraters toe te laten tot geloften.
Fraters zijn geestelijken met de lagere wijdingen die geen sacramentele bedieningen toelaten in liturgische zin. Niettemin was dat manvolk nodig. Want bij het grondverzet, de aanleg van de waterstaatswerken en de bijbehorende aandrijfkrachten, de afbakening van de parken en de afgraving van de watergangen was spierkracht onontbeerlijk. Dus kwam er, canoniekrechtelijk eigenlijk illegaal, een fraterpeloton naar de Loosduinense grotere ontginningen, die mogelijk werden via de dijkagies. Deze fraters waren niet gebonden aan de eigenlijke clausuur — opsluiting binnen de kloostercomplexen — en aan de beperkte Romeinse passen daarbuiten in verband met de plichtmatige vrijheidsbeperkingen op de terreinen van het gehele complex. Dat maakt de herleiding van het kloostercomplex ook wel wat moeilijk, want in de heffingscohieren die aan Egmond werden opgezonden wordt er van die fraters nauwelijks gerept. Dat deden de ontginnende ordes in de Lage Landen wel vaker. Het mocht niet, die dubbelheid, maar om de forfaitaire tienden binnen te slepen — steeds een tiende van de veronderstelde oogst naar de maatstaven van de negende eeuw per hectare — was het onvermijdelijk een oogje toe te knijpen. De historie lijkt wel wat op die van het dubbelklooster Dikninge dat door de ongeschoeide carmeliet A.J.M. Arts in de bezettingsjaren 1940-1945 werd geschreven en dat uitgegeven werd te Assen bij uitgeverij Van Grocumk & Comp. (G.A. Hak & H.J.Prakke), verdedigd te Nijmegen op 14 november 1945, niettegenstaande de toenmalige papierschaarste.
De Stichting van het doelvermogen, de fundatie met rechtspersoonlijkheid, is te dateren in de eerste jaren van de dertiende eeuw (ca. 1224 – 1230). De Abdij met abbationele rechtsmacht die de Abdis tot topambtenaar van het Heilig Roomse Rijk van de Teutonische Natie maakte, werd rond 1228-1230 gesticht door graaf Floris IV van Holland en zijn echtgenote Machteld van Brabant. Locatie: Het klooster werd gebouwd op een strandwal (een oude duinrug), wat een veilige, hoge plek bood te midden van de nattere veengebieden.Orde: De Cisterciënzers stonden bekend om hun expertise in waterbeheer en landbouw. Zij waren de drijvende kracht achter het in cultuur brengen van “woeste gronden”. De mannen waren getraind om vele ontberingen te omstaan, weinig persoonlijke logistiek te behoeven en van het veld te kunnen leven en daarin eventueel zelfs nachten lang onder de blote hemel te kunnen bivakkeren. De Rol bij de ontginningen — de uitwaaiering van de polders, de kwelders en de opzetting van de molengangen — leidde tot veel beurtvaartverkeer over de Zuid-Hollandse watergangen, waaronder de Schie en de Vliet. Deze gangen lagen haaks op de Romeinse grachten die er al waren. Onze gidsen leiden desgevallend op verzoek ook langs deze grachten en leggen hun betekenis voor het Romeinse binnenlandse transpiort- en kondschapsdienstsysteem uit. Er ontstond dus een dichte infrastructuur met het oog op transporten. En dat leidde weer tot de aanleg van vele dammen, waaronder bijvoorbeeld die te Leidschendam. Maar ook tot die over de Delf bij, u raadt het al — Delft. De Abdij functioneerde als een economisch centrum. In de 13e eeuw was de regio rond Loosduinen en Madestein nog grotendeels onontgonnen veenmoeras. Er kwamen exclaves in Madestein, die de terreinen uitzonderden van de grafelijke jurisdictie. Uithoven (Granges): De zusters werkten uiteraard zelf niet op het land; dit werd gedaan door lekenbroeders (conversen) en pachters. Zij opereerden vanuit uithoven: grote agrarische voorposten. Madestein en ‘Huis de Camp’: In het gebied Madestein (vlakbij de abdij) bevond zich een belangrijke adellijke hoeve, bekend als de Stenen Kamer van Madestein of Huis de Camp. Hoewel dit een grafelijk leen was, was er een nauwe wisselwerking met de abdij. Archeologisch onderzoek in Madestein toont aan dat hier vanaf de 13e eeuw intensieve landbouw plaatsvond op de vrijgekomen veengronden.
Waterbeheer: Om het veen geschikt te maken voor akkerbouw en veeteelt, lieten de Cisterciënzers sloten graven voor de afwatering (drainage). Hierdoor klonk het veen in, een proces dat het landschap van het huidige Westland en Madestein definitief vormgaf. De “Dubbelklooster” Mythe komt vooral daardoor, dat door het verzakken door inklinking steeds meer mankracht vereist werd bij het ingewikkelder wordende waterstaatkundig beheer. Hoewel de term “dubbelklooster” (een instelling voor zowel mannen als vrouwen) soms valt, was Loosduinen officieel een vrouwenabdij. Er was wel sprake van een mannelijke aanwezigheid: Cisterciënzer monniken uit Vlaamse moederabdijen (zoals Ten Duinen of Ter Doest) waren aanwezig voor de geestelijke begeleiding en de zware administratieve/technische taken rondom de ontginningen. Dit zorgde voor een nauwe band tussen de “vrouwen” op de strandwal en de “mannen” die de ontginning van het omliggende veengebied aanstuurden. De ondergang en verpachting aan private personen van het complex leidden tot een nieuwe demografische structuur van het tuiniersgebied, dat inmiddels was ontstaan. Beleg van Leiden & De Geuzen: Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1574) werd de abdij grotendeels verwoest door de Geuzen om te voorkomen dat de Spanjaarden het als uitvalsbasis zouden gebruiken. Wat resteert: Vandaag de dag is de Abdijkerk van Loosduinen (gebouwd tussen 1238 en 1250) het enige tastbare overblijfsel. In Madestein zijn de funderingen van de Stenen Kamer nog steeds zichtbaar als archeologisch monument, wat de herinnering aan de vroege ontginningsgeschiedenis levend houdt.

