Site Overlay

De waterstaatkundige bedwinging van het Helenium tot aan 1550

Laatste update: 7 februari 2026

De geschiedenis van de bedwinging van het Helenium—het uitgestrekte en grillige mondingsgebied van de Maas en de Waal—is een fascinerend epos van de strijd tegen het water. Tussen de Romeinse tijd en 1500 transformeerde dit gebied van een woeste getijdendelta naar een (deels) beheerst polderlandschap. Deze transitie is betekenisbepalend voor het ontstaan van het Madesteinse poldergebied, voorgemalen, ontgonnen en tot wasdom gebracht onder de kromstaf van het Cisterciënzerklooster waarvan het Abdijkerkje de Loosduiners een dierbaar gekoesterd relict is. Hier is een overzicht van die ontwikkeling: De Romeinse Tijd: Strategisch maar ongetemd waterrijk gebied, volledig beheerst door de getijden vanaf de Noordzee, aangeblazen door menige noordwesterstorm. In de Romeinse tijd was het Helenium een gigantisch estuarium waar de zee vrij spel had. Voor de Romeinen was het gebied zoals aangegeven vooral van strategisch belang als grensregio (Limes). Natuurlijke staat: Het gebied bestond uit uitgestrekte kwelders, veenmoerassen en kreken. De verbinding tussen de Maas en de Merwede was dynamisch; eilanden ontstonden en verdwenen. Romeinse interventies: Er was nog geen sprake van grootschalige bedwinging. De Romeinen bouwden wel dammen en kanalen (zoals het Kanaal van Corbulo verderop), maar in het Helenium pasten ze zich vooral aan door nederzettingen op natuurlijke hoogten (donken) of kunstmatige terpen te bouwen. . De Vroege Middeleeuwen (500 – 1000) veranderde dat nauwelijks: overleven op de kwelder was bijna steeds noodzakelijk door mottebouw. Na het vertrek van de Romeinen nam de natuur het stuur weer over. De weinige bewoners leefden in een fragiel evenwicht met de getijden. Veenontginning: Men begon voorzichtig met het afwateren van de randen van de veengebieden voor landbouw. Het nadeel van succes: Door deze vroege ontginning begon de bodem te dalen (inklinking). Hierdoor werd het land kwetsbaarder voor overstromingen, wat de noodzaak voor echte dijken vergrootte. Nadat vanuit Egmond de Groote Dijckagie was aangevangen gingen de monniken uit de Benedictijnerorde echter een regionale waterstaatsstrategie doorontwikkelen. Men noemt deze tijd ook wel die van de Grote Ontginningen (1000 – 1300): De aanval op de zoute waterwolf begint. Rond het jaar 1000 versnelde de bedwinging. Dit was de periode waarin de mens het landschap fundamenteel begon te veranderen.

Abdijkerk Loosduinen – Foto: Stichting Arcadisch Madestein

 Dijkringvorming: Lokale boeren en kloosters begonnen met de aanleg van kleinschalige ringdijken. Het Helenium werd langzaam “ingekaderd”. De Grote Waard: Een cruciaal moment was de vorming van de Groote of Hollandsche Waard. Dit was een enorm ingepolderd gebied tussen de huidige steden Dordrecht, Gorinchem en Heusden. Het was de eerste grootschalige poging om het Helenium definitief te temmen. Bestuurlijke organisatie: De eerste waterschappen en hoogheemraadschappen ontstonden om de dijkbewaking te coördineren.  De Late Middeleeuwen worden de dijkparken landinwaarts voltooid en gesloten. Maar ze worden vervolgens slecht onderhouden, omdat de regering steeds meer geld spendeert aan oorlogvoeren buiten de Lage Landen en dat leidt tot de Groote Catastrofe (1300 – 1500) die ook vaak aangeduid wordt als “De Elisabethsvloed”. Deze aanduiding echter doet geen recht aan dat natuurgebeuren dat best voorkomen had kunnen worden als de lokale waterstaatsbesturen hun taakstellingen die wettelijk door de Graven van Holland waren vastgelegd serieus hadden genomen. Vooral de dijkgraven valt hier veel, er veel te verwijten. Tegen 1400 leek de mens de strijd gewonnen te hebben, maar de natuur sloeg genadeloos terug. De Sint-Elisabethsvloed (1421):  dat is slechts een momentopname uit dit voortgezet menselijk bestuurlijk falen.

Dit is echter het absolute ijkpunt. Door een combinatie van een zware storm, achterstallig onderhoud aan de dijken (door politieke ruzies, de Hoekse en Kabeljauwse twisten) en de eerdere bodemdaling, braken de dijken van de Grote Waard door. De geboorte van de Biesbosch: De bedwinging werd in één klap tenietgedaan. Een groot deel van de Grote Waard veranderde in een binnenzee. Het Helenium herwon zijn grip op het land. Herstel tot 1500: In de decennia na 1421 begon men moeizaam met het opnieuw bedijken van verloren land. Er ontstonden nieuwe polders, maar de Biesbosch bleef als een “gat” in de verdediging bestaan. Ze bleef via het grondwater verzilting aan Holland meedelen en bij springtijden het Groene Hollands Hart direct bedreigen. De Vaderlandse Geschiedenis heeft daarover weinig te melden. Met opzet werd vooral het falen van de bestuurselite verzwegen. Dat is zo ook gebleven toen die geschiedenis ook de grondslag werd van academische leeropdrachten. De proffen dekten als het ware hun standgenoten, de regenten, die ook nog in die negentiende eeuw hun waterstaat bleven verzuimen.